Pages Menu
TwitterRssFacebook
Categories Menu

Gedichten

Lof op het Berbers

Posted by on 1:40 pm in Gedichten | 5 comments

O moedertje Berbers o kostelijk merg van de botten wie met jou solt, de tijd zal met hem sollen! Wie jou wil wegvagen, hem zullen de dagen wegvagen! Zij hebben al graven voor je gedolven. Zij willen je ter aarde bezorgen. Zij zeiden tegen je: je bent waardeloos onder de naties en de mensen! Mijn voet, zet u in beweging! Wij gaan op naar de bergen, om de woorden te verzamelen, de woorden die we niet meer kennen. Wij zullen ze zeven en nog eens zeven, tot zuiverheid. Laat maar opkomen hij die beweert dat het Berbers heeft afgedaan. Ons Berbers is een taal. Zij kan verheffen, zij kan...

read more

Ziyaan graaft naar zijn wortels

Posted by on 1:37 pm in Gedichten | 0 comments

Ziyaan, een jongeling met een scherp verstand, ging graven naar zijn wortels, probeerde zijn afstamming te achterhalen en de gebeurtenissen van de voorbije tijd. hij vroeg de imams, maar hun antwoord begrijp hij niet. hij vroeg de scholieren en de studenten. ‘de boeken zijn leeg’ zeiden ze, ‘in de boeken staat de geschiedenis van Fransen en Duisters, van Engelsen en Amerikanen, en de geschiedenis van de trollen van deze tijd: een geschiedenis die een haan een kiekendief maakt. o Ziyaan, dit is alles wat er is, deze geschiedschrijving: ze maakt geen gewaag van Abdelkrim, Ze wijdt geen woord aan Anoual en Dhar Oubarran. Ziyaan begreep er niets van al hun gepraat. stad en land ging hij af, geen plaats hield hem vast. alsof hij een doorn in zich droeg. hij ging de mensen langs om hen te vragen over de gebeurtenissen van de voorbije tijd. zijn grootouders waren erbij. naar hen ging hij toe met de vraag: wie is Abdelkrim? wat is er gebeurd in Anoual en Dhar Oubarran? zijn grootmoeder sprak, haar lippen trilden. tranen als granaatappelkorrels vielen uit haar ogen en kwamen samen op haar kin. ‘Abdelkrim, mijn kleinzoon was een klaproos die groeide in de harten van de mensen. Abdelkrim, mijn kleinzoon, was de maan temidden van de sterren. Abdelkrim, mijn kleinzoon, was een heldere bron, waaruit ouderen, jongeren en kleine kinderen drinken’ tranen beletten haar het spreken en grootvader nam het woord: ‘Abdelkrim, mijn kleinzoon, was een boom, en wij waren de wortels. Abdelkrim, mijn kleinzoon, was een imam, en wij waren de leerlingen. hij heeft ons de wegen onderwezen die leiden naar het goede leven. Abdelkrim, mijn kleinzoon, is niet een van die hedendaagse imams die op hun buik kruipen als slangen, hun aandacht op hun bord gericht, op datgene waarmee zij hun darmen kunnen vullen. Abdelkrim, mijn kleinzoon, gaf zijn leven voor het recht van de armen, op iedere plaats waar zij zich ook maar bevinden. Abdelkrim, mijn kleinzoon, is niet als die hedendaagse trollen: met in de ene hand een dolk, in de andere de koran hakken ze handen af voor het stelen van en stukje brood. zelf roven ze het vloeibare goud. hun pelgrimage voert hen naar het Zwarte Huis dat zich in Amerika bevindt. ze melken het bloed van de broederschap en drinken het in glazen. Ze gaan huwelijksbanden aan met Amerikanen en zionisten. Abdelkrim, mijn kleinzoon, nam het niet dat ons land werd verdeeld door vijanden van over zee, de Spanjaarden, de Fransen en de Italianen. ga, mijn kleinzoon, vraag het de sterren! ga. mijn kleinzoon, vraag het de bergen, vraag het de dalen! zij hebben alles gezien, zij zijn getuige geweest, zij hebben het meegemaakt. Zij hebben Abdelkrim gezien op zijn paard met zijn geweer aan zijn borst. zijn kinderen stonden op, verenigden zich als vingers aan een hand en kwamen toegesneld. alom rezen zij op, van jong tot oud. de een bracht geweren mee, de ander sikkels. de Spanjaarden werden in het nauw gedreven en omsingeld. de vrouwen susten de geschrokken kleintjes en bereiden schalen tarwegries. ze repten zich jubelend over de velden en zongen de verzen over de strijders van Dhar Oubaran. ga, mijn kleinzoon, vraag het de sterren! ga, mijn kleinzoon, vraag het de bergen, vraag het de dalen! zij hebben alles gezien, zij zijn...

read more

Het meisje dat verkocht werd

Posted by on 9:49 pm in Gedichten | 0 comments

zij zette zich op een steen en barstte uit in tranen, tranen neerstromend als rivieren. ooit hoedde zij het vee met een herdersjong die de herdersfluit speelde. zij vermaakten zich met de tixxamin-spel, (lees het als: tikhammin) zij vertelden elkaar verhalen. totdat op een zekere dag, een vermogend man haar hand kwam vragen. hij kocht haar met een kostelijke dis, hij kocht haar met rijkelijke geschenken. toen de bruiloft voorbij was, begon hij haar te mishandelen. hij mishandelde, mishandelde, tot hij haar tenleste verjoeg bij het ochtendgloren. het arme schepsel raapte haar spullen bijeen en verliet het huis. ‘o moeder, ik wil me in zee storten. vader heeft mij verkocht voor een suikerbrood! ik ben een levende mens, ze hebben over mij onderhandeld als over een beest. o moeder, ik wil mij in de put werpen! ze hebben mij verkocht, ze hebben mijn hart verkwanseld! waarom gaat mijn zon schuil achter de wolken?’ Uit Reikend naar het licht van Elwalid...

read more

Dwalende Mas’oed

Posted by on 9:40 pm in Gedichten | 0 comments

Fatima jubelt en Hemmadai slaakt een vreugdekreet. op het dag wordt een wimpel uitgestoken. ze zijn opgetogen: er is een zoon geboren! de een zet muntthee, de ander bereidt een schaap. meisjes op de binnenplaats, hun vingers versierd met henna, slaan op de tamboerijn en zingen verzen over het nieuwgeboren kind, over Mas`oed die verschenen is als de maan en licht brengt in de harten van zijn zusters, harten verduisterd door het lange wachten. Fatima huppelt van vreugde, en zo ook Hemmadi. zo lang strijden zij al een verloren strijd tegen de armoede! met veel moeite komen zij tot het middagmaal. een avondmaal kunnen zij wel vergeten! Mas`oed is hun hoop; hij zal opgroeien en de tuinen bevloeien; hij zal zorgen voor hun zusters op de dag van hun huwelijksfeest! hoeveel dagen en nachten heeft Fatima Mas`oed verzorgd! hoeveel zorgen heeft zij gedragen, hoeveel bitterheid heeft zij geslikt! ze heeft kruiken water en bossen hout op haar ruf getorst terwijl Mas`oed bungelde aan haar nek; ze heeft hem beschemd tegen mazelen, kinkhoest, de bof, tegen geesten, heksen en het boze oog. hoeveel wegen heeft Fatima gelopen omhoog langs de greppels, omlaag langs de oevers! ze heeft niet nagelaten de fqih’s te raadplegen, de zieneressen en de maraboets; ze heeft gewaakt over Mas`oed: bloem ontloken tussen distels op een land dat door jakhalzen is ondermijnd. Mas`oed groeide op en het was al ellende wat hij zag. wat de ogen zien ligt buiten het bereik van de handen! zijn voeten trappen op stekels van cactussen. in de wegen wachten hem kuilen. de waterputten zijn peilloos en de touwen ontoereikend. Mas`oed groeit op tot een jongeman vanaf de jeugd aangetast door knagende zorgen. vader Hemmadi is slaaf, verkoopt zijn zweet: de ene dag is hij sjouwer, de andere visser, dan weer is hij dagloner op het veld of werkt hij in de bouw. vaak hangt hij werkloos rond in koffiehuizen en telt hij zijn zorgen. in de nacht vormen de zuchten zijn kussen. uitputting zoog het merg uit zijn botten. honger nestelt zich in zijn huis. in zijn ogen is zand gestrooid. zijn mond is gesnoerd door angst. Mas`oeds hart is een gloeiend stuk kool dat zijn borst verbrandt. hij zit gevangen als een vleugellamme vogel tussen de loodrechte wanden van een kloof. de zon is onder, de maan verdwenen. Mas`oeds dagen en nachten vloeien in elkaar over. alles is bitter geworden, veranderd in oleander. zijn geduld is op, hij is het wachten beu: hij pakt zijn tas en trekt de wijde wereld in! Fatima heeft hij achtergelaten huilend, schreeuwend, en op haar bovenbenen slaand: ‘o mijn zoon, mijn Mas`oed, weggeworpen als een steen! de appel van mijn ogen liet mij alleen achter op de bodem van de put!’ de wind heeft Mas`oed meegesleurd, neergeworpen in vreemde plaatsen. zijn dagen zijn overvloedig, vermorst over de straten. hij heeft gezocht naar familieleden, niemand heeft hem aandacht geschonken. de minst erge van hen zegt: ‘vergeet me maar! heb ik je soms een telegram gestuurd? heb ik je soms gezegd “kom bij mij”?’ iemand heeft hem een haadj gewezen en gezegd: ‘hij verhuurt bedden, dat je geen papieren hebt is geen probleem.’ Mas`oed is platzak, ‘leen mij geld!’ smeekt hij zijn verwanten. steevast is het antwoord dat hij hoort: ‘op het moment kan ik niets...

read more

Dochter van de Bergen

Posted by on 9:31 pm in Gedichten | 0 comments

zij verscheen op de heuvel van gazellen vergezeld. lang wapperden haar haren golvend over haar rug als een golf van de zee haar gelaat was schoon als de zon op het uur van de dageraad ‘wie ben je?’ vroeg ik haar, ‘ben je een prinses? zeg mij: waar kom je vandaan? wat is je naam? wij zijn voor elkaar als vogel en wind. zeg mij: wie ben je? ’s konings dochter soms?’ ‘jongen, ik ben de dochter van de bergen. ik woon niet in paleizen, ik slaap niet tussen zijden lakens, ik eet de buit van de jacht, ik drink uit de rivier, ik slaap in de heuvels temidden van de gazellen.’ ‘o meisje, jij hebt het leven begrepen! jij leeft als een patrijs die is opgegroeid in de wilde natuur. de vrijheid is jouw deel, meisje!’ ‘de zon gaat onder,’ sprak zij ‘het is tijd om heen te gaan.’ en zij verdween met haar gazellen achter de heuvelrand. diepe sporen liet zij na in mijn hart. dagen noch maanden zijn bij machte ze weg te vagen. Uit Reikend naar het licht van Elwalid...

read more

Facebook

Twitter