Author Topic: Integreren is samen theedrinken?  (Read 1042 times)

« on: 28/09/2009 om 10:12:38 »
Uit Trouw, interview met Job Cohen, door DomRechts vaak weggezet als theedrinkende klootviool:

Een stad is nooit af


Tegenstanders zetten hem graag weg als een theedrinkende slapjanus. Maar Job Cohen ziet geen andere optie dan in gesprek te blijven met de mensen met wie hij het oneens is. ’Het alternatief is namelijk schieten of boksen’, zegt hij in dit interview.

De moeder van Job Cohen zat op 26 november 1940 in de Leidse collegezaal waar de rechtsgeleerde Rudolph Cleveringa zijn beroemde rede tegen het ontslag van Joodse docenten door de Duitse bezetter hield. Voor zijn moeder voelden de woorden van Cleveringa ’als balsem op haar twijfelende ziel’. Ze zou het nog zwaar krijgen tijdens de oorlog, maar op dat moment werd haar het gevoel gegeven: ’Ik hoor erbij’. Drie woorden maar: ’Een heel eenvoudige zin waarachter een complexe werkelijkheid schuilging’.

Het citaat is afkomstig uit ’Binden’, een bundeling van lezingen van Job Cohen, die vorige week verscheen. In het boek doet Cohen, burgemeester van Amsterdam, een poging om de complexe werkelijkheid te doorgronden achter het debat over integratie. Een debat dat naar zijn smaak te vaak in oneliners gevoerd wordt. Maar Cohen haalt graag de geschiedenis van de Joden in Amsterdam erbij, om te laten zien dat integratie een ingewikkeld fenomeen is. Dat uiteindelijk wel kan slagen.

Cohen: „Dat is een prachtig verhaal van een groep die heel langzaam haar plaats veroverde. We hebben tegenwoordig enorme haast als het om integratie gaat. Maar het kost tijd. Er waren hier nooit getto’s, maar ook in Nederland duurde het honderden jaren voordat Joden als volwaardige burgers geaccepteerd werden.”

„Wat je er in ieder geval van kan leren is dat taal heel belangrijk is”, vervolgt Cohen. „Vanaf de negentiende eeuw, toen Joodse kinderen op school Nederlands moesten spreken, in plaats van Jiddisch, zie je dat die integratie sneller verloopt. Tegelijkertijd kun je er ook van leren dat het niet altijd de minderheid zelf is die ervoor kan kiezen om te integreren. Want toen begin twintigste eeuw Joden zich bijna helemaal aangepast hadden, werden ze nog steeds niet in alle opzichten voor vol aangezien. Uiteindelijk moet de samenleving een minderheid toelaten.”

Als integratie uiteindelijk een keuze van de meerderheid is, heeft het dan nog wel zin om iets van nieuwkomers vragen? „Jazeker. We moeten van nieuwkomers vragen de te taal leren. En de grenzen van de rechtsstaat te respecteren. Een seculiere rechtsstaat, wel te verstaan. Het prettige daarvan is namelijk dat juist een seculiere staat mensen ruimte geeft om hun eigen geloof of overtuigingen uit te oefenen. Kortom: wel integreren, niet assimileren.”

Cohen werd zelf geboren in 1947. In zijn jeugd was de Joodse emancipatie zo goed als voltooid. „Ik heb geloof ik altijd wel geweten dat ik Joods was. Maar in de eerste dertig jaar van mijn leven ben ik heel weinig met antisemitisme geconfronteerd. We waren niet religieus: mijn ouders waren sociaal-democraten die erg toegewijd waren aan de ’doorbraak’ – de poging om de maatschappij voorbij de verzuiling te brengen.”

Het Nederland waar de Joodse minderheid een plaats gevonden had, was nog wel een ander Nederland dan tegenwoordig. „Ik ging naar een openbare lagere school. Verderop stond een protestants-christelijke school, maar daar kende ik niemand.” Dat is veranderd. „De historicus James Kennedy heeft opgemerekt dat Nederland in toenemende mate verandert van een land waar verschillende minderheden elkaar in evenwicht houden naar een land dat gedomineerd wordt door een meerderheidscultuur, die je blank, liberaal en seculier kan noemen.”

Door de opkomst van zo’n meerderheidscultuur ontstaat steeds meer druk op nieuwkomers om zich daaraan aan te passen. Maar laten we niet vergeten dat diversiteit een samenleving dynamisch maakt, zegt Cohen. „Kijk naar steden als Amsterdam, Londen, New York. Die zitten vol diversiteit, en het is niet toevallig dat daar van alles gebeurt, dat ze een bron zijn van vernieuwingen.”

’Binden’ slaat wat Cohen betreft dan ook niet alleen op de traditionele migranten die nu het integratiedebat beheersen. „Amsterdam is een stad met een jaarlijks verloop van de bevolking van tien procent. Dat zijn migranten, maar ook de expats, en de hogeropgeleide slimpies die over de aardbol hoppen, de nieuwe creatieve klasse. Je moet de stad aantrekkelijk houden voor de mensen die al hun hele leven in Noord wonen, maar je moet ook proberen om die nieuwe groepen zoveel mogelijk bij de stad te betrekken.”

Dat lukt niet door iedereen voor te schrijven om weer met ’me vlaggetje, me hoedje, en me toeter’ te gaan lopen, herinnert Cohen zich een liedje van Corry Vink uit zijn kindertijd. „We moeten ook niet terugwillen naar de tijd van de verzuiling. De typisch Nederlandse tolerantie is het gevolg van onze geschiedenis, waarin verschillende groepen elkaar vrij lieten. Maar binnen zo’n groep heerste vaak ook veel dwang.”

Dat betekent niet dat alles maar moet mogen. Het begrip vrijheid, analyseert Cohen, heeft in Nederland een verandering ondergaan. Vroeger stond het vooral voor de vrijheid van een bepaalde groep, protestanten of katholieken, om hun geloof uit te oefenen. Onder de invloed van de individualisering en de ontzuiling is vrijheid steeds meer gaan betekenen ’dat alles maar mag en kan’. „Je ziet dat dat ook gevaren in zich draagt. Seksuele vrijheid leidt ook tot nieuwe vormen van uitbuiting, bijvoorbeeld hier op de Wallen.” Wie wil binden moet ook duidelijke kaders stellen. „U bent misschien verbaasd om in mijn boek een pleidooi tegen het gedogen te lezen. Maar gedogen en tolerantie zijn twee heel verschillende begrippen.”

Toch kan het Cohen niet zijn ontgaan dat van minderheden steeds meer gevraagd wordt om zich aan te passen. Tegenover dat model stelt Cohen het begrip ’burgerschap’ als alternatief bindingskader. Is dat niet te abstract? „Natuurlijk, dat blijft een beetje abstract. Maar je kunt wel belangrijke elementen aanwijzen. Je moet ervoor zorgen dat mensen op allerlei manieren meedoen met de samenleving. Ze moeten werk hebben, ze moeten participeren in de democratie, meedoen met de rechtsstaat, onderdeel zijn van de cultuur. Je moet ervoor zorgen dat er een civil society ontstaat waarin mensen verbanden aan kunnen gaan.”

En hoever is Amsterdam daarmee? „Als ik op Koninginnedag lintjes uitdeel, dan zijn we heel ver. Allemaal mensen uit verschillende lagen van de samenleving die betrokken zijn bij de maatschappij. Ik vind dat een van de leukste dagen van het jaar. Maar de volgende dag en op andere plekken zijn er ontegenzeggelijk weer problemen. Een stad, een samenleving, is namelijk nooit af.”

Cohen beroept zich bij zijn verdediging van de tolerantie op Erasmus en de filosofen van de Verlichting. Dezelfde denkers die vaak worden aangehaald door mensen die kritiek leveren op de islam. Hoe verklaart hij dat? „Als ik het over de Verlichting heb, dan heb ik het vooral over een methode: overal kritisch op zijn, ook op jezelf. Zo lees ik die denkers. Als andere mensen één element uit dat gedachtegoed halen, bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting, en dat bepalend maken voor onze Nederlandse identiteit dan baseer ik die identiteit toch liever op onze rechtsstaat. Het minste wat je kan doen is een debat voeren over hoe de verschillende vrijheden tegenover elkaar staan, in plaats van te roepen: de vrijheid van meningsuiting is het belangrijkste, punt uit.”

Voelt het in zulke debatten niet vreemd dat hij als ongodsdienstig man de islam moet verdedigen? „Ik verdedig de islam helemaal niet. Maar als mensen roepen dat islam en democratie per definitie nooit te verenigen zijn, dan constateer ik dat dat feitelijk onjuist is. Kijk maar naar Ahmed Marcouch, naar Ahmed Aboutaleb, gelovige moslims én democraten. Of naar Indonesië, het grootste moslimland ter wereld, dat de afgelopen jaren ook belangrijke stappen in de richting van democratie heeft gezet.”

Cohen ziet ook een bindende rol voor religie weggelegd, in een tijd dat veel andere verbanden losser worden. In de debatten over kerk en staat sluipt vaak een misverstand, vindt hij. In Nederland heeft die scheiding, anders dan in Frankrijk, nooit betekend dat ook de publieke ruimte gevrijwaard moet blijven van religieuze uitingen. Maar van oudsher liepen er hier ook geen vrouwen in boerka over straat. Verandert dat de situatie niet? „Persoonlijk vind ik het verschrikkelijk om een vrouw in boerka te zien lopen. Maar of ik het al dan niet leuk vind, is geen criterium om het te verbieden. Het wordt anders in situaties waar contact nodig is: op school, of op het werk. Dan moet die boerka af. En ik ben het ermee eens dat als je geen werk kunt vinden door die boerka, dat je dan ook niet langs moet komen om een uitkering aan te vragen.”

Geen uitkering voor boerkadragers, het is niet de taal die de meeste mensen met Cohen zullen associëren. Zit zijn imago als theedrinkende slapjanus hem wel eens dwars? „Ik drink zelden thee. Maar als thee drinken betekent dat ik in gesprek blijf met mensen met wie ik het niet eens ben, dan vind ik het geen diskwalificatie, integendeel. Het alternatief is namelijk schieten of boksen. Met Ivo Opstelten, de VVD-burgemeester van Rotterdam, moest ik er wel eens om lachen. Wij denken over heel veel van deze dingen hetzelfde, maar bij hem denkt iedereen ’daadkracht’, en bij mij ’thee drinken’. Ach, het zij zo.”

In zijn boek staat ook een lezing over Stefan Zweig, die zijn leven lang het tolerante Europa toegedaan was, en die Europa aan het eind van zijn leven onder de naziterreur zag verkruimelen. Is hij weleens bang dat hij de strijd aan het verliezen is? Of denkt hij, als rechtgeaard sociaal-democraat, dat de ’zachte krachten’, in de woorden van Henriëtte Roland-Holst, uiteindelijk zullen overwinnen? „De nazi’s werden uiteindelijk ook weer verslagen. De ideeënstrijd kent nooit een definitieve overwinnaar. Ik doe gewoon mijn best om de ideeën die ik belangrijk vind zo goed mogelijk onderbouwd in het publiek debat te brengen.”

http://www.trouw.nl/achtergrond/deverdieping/article2874173.ece/Een_stad_is_nooit_af_.html
---------

Zijn quotje over geen uitkering voor burkadraagsters heeft vandaag het meeste stof doen opwaaien. Ik ben het verder wel in grote lijnen met hem eens, hoewel dat van die bindende rol natuurlijk helemaal niet.
« Last Edit: 28/09/2009 om 10:14:19 by TheCFO »

« Reply #1 on: 28/09/2009 om 14:54:21 »
Mooie quotje van geenstijl:

Tadaaa! Cohen pleit hier dus voor het intrekken van uitkeringen van Boerkadraagsters, een standpunt dat in de Kamer alleen door de PVV verkondigd wordt. Tja, als niemand anders in de aanval gaat om die 14 zetels in de peilingen wat op te stuwen doet Job het wel.

Het is allemaal politiek!

« Reply #2 on: 28/09/2009 om 15:17:41 »
Tjonge, jonge, jonge hoeveel vrouwen dragen er in NL een burka ? Nou, ik heb er nog nooit ééntje gezien. Dat daar zo'n kwestie van gemaakt moet worden slaat toch nergens op.