Pages Menu
TwitterRssFacebook
Categories Menu

Posted by on Apr 10, 2010 in Gedichten | 0 comments

Ziyaan graaft naar zijn wortels

Ziyaan, een jongeling met een scherp verstand,
ging graven naar zijn wortels,
probeerde zijn afstamming te achterhalen
en de gebeurtenissen van de voorbije tijd.

hij vroeg de imams,
maar hun antwoord begrijp hij niet.
hij vroeg de scholieren en de studenten.
‘de boeken zijn leeg’ zeiden ze,
‘in de boeken staat de geschiedenis van Fransen en Duisters,
van Engelsen en Amerikanen,
en de geschiedenis van de trollen van deze tijd:
een geschiedenis die een haan een kiekendief maakt.
o Ziyaan, dit is alles wat er is, deze geschiedschrijving:
ze maakt geen gewaag van Abdelkrim,
Ze wijdt geen woord aan Anoual en Dhar Oubarran.

Ziyaan begreep er niets van al hun gepraat.
stad en land ging hij af,
geen plaats hield hem vast.
alsof hij een doorn in zich droeg.
hij ging de mensen langs om hen te vragen
over de gebeurtenissen van de voorbije tijd.

zijn grootouders waren erbij.
naar hen ging hij toe met de vraag:
wie is Abdelkrim?
wat is er gebeurd in Anoual en Dhar Oubarran?

zijn grootmoeder sprak, haar lippen trilden.
tranen als granaatappelkorrels vielen uit haar ogen
en kwamen samen op haar kin.

‘Abdelkrim, mijn kleinzoon was een klaproos
die groeide in de harten van de mensen.
Abdelkrim, mijn kleinzoon, was de maan temidden van de sterren.
Abdelkrim, mijn kleinzoon, was een heldere bron,
waaruit ouderen, jongeren en kleine kinderen drinken’
tranen beletten haar het spreken en grootvader nam het woord:

‘Abdelkrim, mijn kleinzoon, was een boom,
en wij waren de wortels.
Abdelkrim, mijn kleinzoon, was een imam,
en wij waren de leerlingen.
hij heeft ons de wegen onderwezen die leiden naar het goede leven.
Abdelkrim, mijn kleinzoon, is niet een van die hedendaagse imams
die op hun buik kruipen als slangen,
hun aandacht op hun bord gericht,
op datgene waarmee zij hun darmen kunnen vullen.
Abdelkrim, mijn kleinzoon, gaf zijn leven
voor het recht van de armen,
op iedere plaats waar zij zich ook maar bevinden.
Abdelkrim, mijn kleinzoon, is niet als die hedendaagse trollen:
met in de ene hand een dolk, in de andere de koran
hakken ze handen af voor het stelen van en stukje brood.
zelf roven ze het vloeibare goud.
hun pelgrimage voert hen naar het Zwarte Huis
dat zich in Amerika bevindt.
ze melken het bloed van de broederschap en drinken het in glazen.
Ze gaan huwelijksbanden aan met Amerikanen en zionisten.
Abdelkrim, mijn kleinzoon, nam het niet
dat ons land werd verdeeld door vijanden van over zee,
de Spanjaarden, de Fransen en de Italianen.
ga, mijn kleinzoon, vraag het de sterren!
ga. mijn kleinzoon, vraag het de bergen, vraag het de dalen!
zij hebben alles gezien, zij zijn getuige geweest,
zij hebben het meegemaakt.

Zij hebben Abdelkrim gezien op zijn paard
met zijn geweer aan zijn borst.
zijn kinderen stonden op,
verenigden zich als vingers aan een hand
en kwamen toegesneld.
alom rezen zij op, van jong tot oud.
de een bracht geweren mee, de ander sikkels.
de Spanjaarden werden in het nauw gedreven en omsingeld.

de vrouwen susten de geschrokken kleintjes
en bereiden schalen tarwegries.
ze repten zich jubelend over de velden
en zongen de verzen over de strijders van Dhar Oubaran.
ga, mijn kleinzoon, vraag het de sterren!
ga, mijn kleinzoon, vraag het de bergen, vraag het de dalen!
zij hebben alles gezien, zij zijn getuige geweest,
zij hebben het meegemaakt, overal.
vraag het de berg van Anoual die zich verheft in Temsaman.
hij beleefde een grote krijg!
bij duizenden werden de Spanjaarden
door een handvol mensen ingemaakt.
daar is het dat Silvestre verbijsterd stond en zijn officieren met hem.
wie ze te pakken kregen wachtte het graf,
wie vluchtte werd opgeslokt door de ravijnen.
ga, mijn kleinzoon, vraag het de sterren!
ga. mijn kleinzoon, vraag het de bergen, vraag het de dalen!
zij hebben alles gezien, zij zijn getuige geweest,
zij hebben het meegemaakt!’

Ziyaan kreeg kippenvel van hoofd tot voeten
en zijn aderen werden te nauw voor zijn hete bloed.
hij liet zijn grootvader achter
en trok verder over bergen en dalen.

Op een nacht was Ziyaan moe gaan liggen
en hij keek naar de sterren.
tussen slapen en waken verscheen Abdelkrim
die hartverscheurende woorden tot hem richtte:

‘Ziyaan mijn zoon,
jullie zijn beland in een slechte tijd.
het is verkeerd met jullie afgelopen!
jullie kommer doet mij pijn in mijn graf.
jullie zijn als slaven geworden,
die worden verkocht op de markten.
het land, jullie moeder, uitgehold door slangen,
huilt als een vergeten weeskind op een feestdag.

sta op, mijn kinderen, verlaat de grotten,
verander de tijd,
voordat de wolven jullie verslinden.
ruk de oleander uit en steek de distels in brand.
plant bloemen en maak de granaatboom rondom onkruidvrij.
wet de sikkels voordat ze verroesten.
hoelang nog willen jullie doorgaan met vallen en opstaan,
met het nemen van verantwoordelijk
en het ontlopen ervan?’

Uit Strijdkreet van de aarde van Ahmed Essadki

Facebook

Twitter