Pages Menu
TwitterRssFacebook
Categories Menu

Posted by on Apr 8, 2010 in Gedichten | 0 comments

Dwalende Mas’oed

Fatima jubelt en Hemmadai slaakt een vreugdekreet.
op het dag wordt een wimpel uitgestoken.
ze zijn opgetogen: er is een zoon geboren!
de een zet muntthee, de ander bereidt een schaap.
meisjes op de binnenplaats, hun vingers versierd met henna,
slaan op de tamboerijn en zingen verzen over het nieuwgeboren kind,
over Mas`oed die verschenen is als de maan
en licht brengt in de harten van zijn zusters,
harten verduisterd door het lange wachten.

Fatima huppelt van vreugde, en zo ook Hemmadi.
zo lang strijden zij al een verloren strijd tegen de armoede!
met veel moeite komen zij tot het middagmaal.
een avondmaal kunnen zij wel vergeten!
Mas`oed is hun hoop; hij zal opgroeien en de tuinen bevloeien;
hij zal zorgen voor hun zusters op de dag van hun huwelijksfeest!

hoeveel dagen en nachten heeft Fatima Mas`oed verzorgd!
hoeveel zorgen heeft zij gedragen, hoeveel bitterheid heeft zij geslikt!
ze heeft kruiken water en bossen hout op haar ruf getorst
terwijl Mas`oed bungelde aan haar nek;
ze heeft hem beschemd tegen mazelen, kinkhoest, de bof,
tegen geesten, heksen en het boze oog.
hoeveel wegen heeft Fatima gelopen
omhoog langs de greppels, omlaag langs de oevers!
ze heeft niet nagelaten de fqih’s te raadplegen,
de zieneressen en de maraboets;
ze heeft gewaakt over Mas`oed: bloem ontloken tussen distels
op een land dat door jakhalzen is ondermijnd.

Mas`oed groeide op en het was al ellende wat hij zag.
wat de ogen zien ligt buiten het bereik van de handen!
zijn voeten trappen op stekels van cactussen.
in de wegen wachten hem kuilen.
de waterputten zijn peilloos en de touwen ontoereikend.

Mas`oed groeit op tot een jongeman
vanaf de jeugd aangetast door knagende zorgen.
vader Hemmadi is slaaf, verkoopt zijn zweet:
de ene dag is hij sjouwer, de andere visser,
dan weer is hij dagloner op het veld of werkt hij in de bouw.
vaak hangt hij werkloos rond in koffiehuizen en telt hij zijn zorgen.
in de nacht vormen de zuchten zijn kussen.

uitputting zoog het merg uit zijn botten.
honger nestelt zich in zijn huis.
in zijn ogen is zand gestrooid.
zijn mond is gesnoerd door angst.
Mas`oeds hart is een gloeiend stuk kool
dat zijn borst verbrandt.
hij zit gevangen als een vleugellamme vogel
tussen de loodrechte wanden van een kloof.

de zon is onder, de maan verdwenen.
Mas`oeds dagen en nachten vloeien in elkaar over.
alles is bitter geworden, veranderd in oleander.
zijn geduld is op, hij is het wachten beu:
hij pakt zijn tas en trekt de wijde wereld in!

Fatima heeft hij achtergelaten
huilend, schreeuwend, en op haar bovenbenen slaand:
‘o mijn zoon, mijn Mas`oed,
weggeworpen als een steen!
de appel van mijn ogen
liet mij alleen achter op de bodem van de put!’

de wind heeft Mas`oed meegesleurd,
neergeworpen in vreemde plaatsen.
zijn dagen zijn overvloedig, vermorst over de straten.
hij heeft gezocht naar familieleden,
niemand heeft hem aandacht geschonken.
de minst erge van hen zegt: ‘vergeet me maar!
heb ik je soms een telegram gestuurd?
heb ik je soms gezegd “kom bij mij”?’

iemand heeft hem een haadj gewezen en gezegd:
‘hij verhuurt bedden, dat je geen papieren hebt is geen probleem.’
Mas`oed is platzak, ‘leen mij geld!’ smeekt hij zijn verwanten.
steevast is het antwoord dat hij hoort:
‘op het moment kan ik niets missen, kom een andere keer!’
Mas`oed neemt zijn tas en trekt van het ene koffiehuis naar het ander.
vervuld van schaamte schooit hij een schamel bedrag bijeen.
hij betaalt de haadj de huur van die maand
en hij krijgt van hem een krakend bed
dat hem in ean nacht tijd een scheve nek bezorgt.
de matras tinkt, de deken is te kort.
al vriest het buiten dat het kraakt, de kachel blijft uit.
‘je hebt het maar te nemen,’ zegt de haadj, ‘het gas is niet te betalen.
als het jou niet bevalt, ga maar iets anders zoeken!’
ik zeg je waar het op staat, dat we later geen ruzie krijgen!’
Mas`oed stopt alles weg in zijn hart en legt zich erbij neer.

Mas`oed vraagt de mensen waar werkt te vinden is.
‘pak de fiets,’ zeggen ze, ‘zoek ik de tuinderijen,
kam de straten uit, durf te vragen en wees niet verlegen.
als de baas op je scheldt versta je het toch niet.
kijk uit dat de waakhonden je niet te grazen nemen
als je politie ziet loop je door en doe je of je neus bloedt,
anders ben je er gloeiend bij en
schoppen ze je met een laissez-passez naar Casablanca!

daar is je dossier je al vooruitgegaan en krijk je ervan langs
met de stok: de politie is daar Marokkaans!’

Mas`oed knoopt hun woorden in zijn oren en volgt hun advies.
voor dag en dauw is hij uit de veren
om zich bij andere werkzoekenden te voegen.
het wemelt ervan, het lijken warempel wel sprinkhanen!
hij zegt bij zichzelf: ‘onmogelijk dat ik iets vind!’

hij neemt een zijpad naar een tuin en vraagt naar de eigenaar.
tijdens het wachten pijnigt Mas`oed zijn hersens
zoekend naar die ene zin:
‘meneer.. ikke.. werk.. zoeke..’
een boze blik wordt hem toegeworpen.
een vinger verwijst naar een andere tuinderij!

hoeveel dagen heeft Mas`oed zo gelopen, dag in dag uit,
eer hij op een werkgever stuit!
nauwelijks gebaart hij met zijn hand of het is:
‘maandag beginnen!’

de eerste dag is hij verbijsterd door de werkdruk.
in wedijver jagen de knechten de werkdruk op.
hij is verbaasd over het wezen dat god geschapen heeft:
een mens als een elektrisch aangedreven machine!
zouden zij uit vrije wil zo sloven?
‘opschieten!’, brult de baas…

dagen komen en dagen gaan; Mas`oed is een verworpene.
hij stapt in kuilen, keer op keer valt hij neer en krabbelt weer op.
de ene dag snijdt hij bloemen, de andere dag veegt hij flats.
hij kan het niet meer dragen, de uitputting heeft hem aangetast.
hij denkt over papieren. toegangspoort tot het geluk.
trouwen moet ieder mensen, vroeg of laat!

hij gaat naar een haadj en vraagt de hand van Saida.
‘vijftienduizend gulden of wegwezen!’ is het antwoord dat hij krijgt.
het hart van de haadj is dood, in zijn koffer heeft hij het begraven.
als een gevoellozen klomp vlees gaat hij door de straten.
in de moskee beukt hij zijn voorhoofd tegen de grond de ganse dag.
zijn dochter is voor hem handelswaar.
hij wil haar te gelde maken,
om een tweede vrouw te kunnen nemen,
naar het goede voorbeeld van de profeet:
Jamila, een jonge blom.
‘het oude mens vertikt het om te luisteren;, zo vertelt hij rond,
‘met haar valt werkelijk niet te leven!’

Mas`oed aanvaardt het voorstel van de haadj
en buigt instemmend met het hoofd.
hij schudt zijn portemonnee leeg en viert het huwelijksfeest
zonder zijn moeder, die altijd slaapliedjes voor hem heeft gezongen,
zonder zijn vader, die altijd voor hem heeft klaargelegen.
zijn zussen hebben geen henna gestampt en geen tamboerijn gespeeld!

de eerste dag al krijgt hij spijt van zijn daad,
zijn leven is een hel geworden.
hij vraagt zich af wie het huwelijk zou kunnen redden.
is er iemand die hemel en aarde zou kunnen samenbrengen?
Mas`oed is opgegroeid met bendier-spel en Ralla-Boeja-zang.
Saida houdt het op Michael en Madonna!
ze zitten tot over hun oren in de knoei:
‘de stamper blijft steken in de keel van de spreeuw’.

ze houden het niet vol en gaan uit elkaar:
elk vervolgt zijn eigen weg.
Mas`oed pakt zijn tas en stort zich in de bars.
hij blust zijn verdriet net het legen van glas na glas.
het gescheiden zijn van zijn land is een doorn in zijn hart.

Facebook

Twitter